Judo, is in het begin van deze eeuw in Japan ontwikkeld door Jigoro Kano.
Het woord Judo betekent: 'zachte weg' (Ju = zacht, Do = weg).
Vroeger was judo een echte vechtkunst, die is ontwikkeld vanuit het
eeuwenoude Jiu-Jitsu. Het was een zeer effectieve zelfverdedigingskunst
voor de geoefende.

Tegenwoordig is judo een sport, waarbij de technieken
niet worden bepaald door bedreigende situaties op straat, maar door de
wedstrijdregels op de mat. Het judo kent in feite twee niveaus: "staand" waarbij de judoka's staan en het de bedoeling is de partner gecontroleerd te laten vallen. En "op
de grond", waarbij de judoka's elkaar met bijv. een houdgreep (één ligt op z'n rug de ander erboven op) proberen te controleren.

 

Uitgangspunt is geconcentreerd werken bij het aanleren van technieken
en veel oefenwedstrijdjes om de technieken uit te proberen.
In de praktijk zijn de oefenwedstrijdjes ook een goede manier om veilig te stoeien en een perfecte uitlaatklep voor kinderen.
Judo leert de kinderen met hun eigen lichaam om te gaan en met dat van hun tegenstander. De motoriek van de kinderen wordt ontwikkeld, ze worden
sterker en handiger. Daarnaast leren de kinderen om te gaan met agressie, met hun zelfbeheersing en ze leren rekening te houden met een ander (in je eentje kun je niet judoën,je hebt altijd een partner nodig om te oefenen). Bij jeugdjudo ligt de nadruk op het speelse element.
Naarmate de judoka's ouder worden, zal het karakter van de les steviger worden.